6.3.3.3 Groenestroomcertificaten Brussel

Het certificatensysteem in Brussel is vergelijkbaar met Walloni‘, d.w.z. dat de groenestroom en WKK-stroom zijn in eenzelfde systeem van ŌgroenestroomcertificatenÕ ondergebracht en worden eveneens berekend op de vermindering van de CO2-uitstoot (zie figuur 6.3.3.3-1 en 2).

Figuur 6.3.3.3-1 en 2: Berekening van de vermindering aan CO2-uitstoot en referenties

De gecertificeerde installaties die aan bepaalde kwaliteitsvereisten beantwoorden (5% CO2-besparing ten opzichte van productie-installaties die als referentiepunt gelden) hebben recht op groenestroomcertificaten welke door de dienst Regulering (IBGE-BIM) wordt verstrekt. De Brusselse leveranciers zijn verplicht een aantal groenestroomcertificaten te verwerven dat overeenkomt met een bepaald percentage van de hoeveelheid elektriciteit die wordt verkocht aan in aanmerking komende klanten van het Brussels gewest ( 2% in 2004, 2,25% in 2005, 2,5% in 2006). Aan de leveranciers die dit quotum niet respecteren, zullen jaarlijks een administratieve boete worden opgelegd van Ū75 per ontbrekend certificaat in 2004, 2005 en 2006 (zie figuur 6.3.3-2).

Zoals in andere gewesten zijn in het Brussels gewest enkele beperkingen opgelegd, maar zijn overalgemeen minder streng. Zo mag een installatie o.a. niet ouder zijn dan 10 jaar en moet de relatieve C02-besparing groter of gelijk zijn aan 5% in vergelijking met de gescheiden referentieproductie (zie figuur 6.3.3.3-3)

Figuur 6.3.3.3-3: Beperkingen door het Brussels gewest opgelegd

ArrtŽ du Gouvernement de la RŽgion de Bruxelles-Capitale relatif ˆ la promotion de lՎlectricitŽ verte et de la cogŽnŽration de qualitŽ

Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijk Regering betreffende de promotie van groene elektriciteit en van kwaliteitswarmtekrachtkoppeling

le gouvernement de la region de bruxelles-capitale,

De Brusselse Hoofdstedelijke Regering,

Vu lÕordonnance du 19 juillet 2001 relative ˆ lÕorganisation du marchŽ de lՎlectricitŽ en RŽgion de Bruxelles-Capitale, notamment les articles 16, 28 et 31, ¤2 ;

Gelet op de ordonnantie van 19 juli 2001 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, inzonderheid op de artikelen 16, 28 en 31, ¤2 ;

Vu lÕavis de lÕInspecteur des Finances, donnŽ le 15 avril 2004 ;

Gelet op het advies van de Inspecteur van Financi‘n, gegeven op 15 april 2004;

Vu lÕaccord du Ministre du Budget, donnŽ le 19 avril 2004 ;

Gelet op het akkoord van de Minister van Begroting, gegeven op 19 april 2004 ;

Vu lÕavis SR-20040322-16 du Service, donnŽ le 22 mars 2004 ;

Gelet op het advies DR-20040322-16 van de Dienst, gegeven op 22 maart 2004 ;

Vu lÕurgence motivŽe par le fait que lÕordonnance qui transpose les directives 2003/54/CE et 2003/55/CE du 26 juin 2003 concernant des rgles communes pour les marchŽs intŽrieurs de lՎlectricitŽ et du gaz vient dՐtre adoptŽe le 1er avril 2004 ; que cette ordonnance modifie en profondeur lÕordonnance du 19 juillet 2001 en ce qui concerne le systme de certificats verts Žtabli, dans ses principes, par celle-ci ; quÕelle met notamment ˆ charge des fournisseurs, et ce ds son entrŽe en vigueur, lÕobligation dÕacquŽrir chaque annŽe un certain nombre de certificats verts ; que, pour lÕannŽe 2004, ce quota est de 2 % ; quÕil y a donc lieu dÕorganiser au plus vite les modalitŽs de la dŽlivrance de ces certificats ainsi que les conditions auxquelles les fournisseurs peuvent acquŽrir les certificats verts Žmis en RŽgion de Bruxelles-Capitale ou en dehors de celle-ci ; que les nouvelles charges financires et administratives rŽsultant de cette obligation de quota doivent tre ma”trisŽes et connues le plus rapidement possible des fournisseurs, afin quÕils puissent en tenir compte dans les contrats quÕils sont appelŽs ˆ conclure, dans les prochaines semaines, avec les clients devenant Žligibles au 1er juillet 2004 ; quÕen vertu du principe de bonne administration et vu lÕabsence de pŽriode transitoire, le prŽsent arrtŽ doit tre adoptŽ dans lÕurgence et les plus brefs dŽlais, sous peine de porter atteinte ˆ la compŽtitivitŽ des fournisseurs nÕayant dÕautre alternative que de payer les amendes prŽvues en cas de non-respect de quotas nouvellement Žtablis, mais aussi de mettre en pŽril le systme de certificats verts ds son origine ;

Gelet op de dringende noodzakelijkheid doordat de ordonnantie, die de omzetting regelt van de richtlijnen 2003/54/EG en 2003/55/EG van 26 juni 2003 betreffende de gemeenschappelijke regels voor de interne markten voor elektriciteit en gas, pas op 1 april 2004 werd genomen ; dat deze ordonnantie de ordonnantie van 19 juli 2001 grondig wijzigt voor wat betreft het systeem van groenestroomcertificaten waarvan deze de beginselen vaststelt; dat zij onder meer aan leveranciers oplegt om vanaf haar inwerkingtreding elk jaar een aantal groenestroomcertificaten te verwerven; dat, voor het jaar 2004, deze quotaverplichting 2 % bedraagt; dat bijgevolg zo spoedig mogelijk de afgifte van groenestroomcertificaten moet worden geregeld alsook de voorwaarden waarop leveranciers in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest of buiten dit Gewest uitgegeven groenestroomcertificaten kunnen verwerven; dat de nieuwe financi‘le en administratieve lasten die uit deze quotaverplichting voortvloeien zo spoedig mogelijk door de leveranciers moeten beheerst en gekend zijn, zodat zij daarmee rekening kunnen houden in de contracten dat zij in de komende weken zullen afsluiten met de afnemers die in aanmerking komen vanaf 1 juli 2004; dat krachtens het principe van deugdelijk bestuur en gezien de afwezigheid van een overgangsperiode, dit besluit bij hoogdringendheid en binnen de kortste termijn dient te worden genomen, om de competitiviteit van de leveranciers, die anders geen ander alternatief zouden hebben dan de voorziene boetes te betalen, ingeval van niet-naleving van de nieuwe vastgelegde quota, niet aan te tasten maar ook om het systeem van groenestroomcertificaten niet vanaf het begin in het gedrang te brengen;

Vu lÕavis n”36.920/3 du Conseil dÕEtat donnŽ le 14 avril 2004, en application de lÕarticle 84, ¤ 1er, alinŽa 1er, 2”, des lois coordonnŽes sur le Conseil dÕEtat ;

Gelet op het advies n”36.920/3 van de Raad van State, gegeven op 14 april 2004, met toepassing van artikel 84, ¤1, 1ste lid, 2”, van de gecošrdineerde wetten op de Raad van State;

Sur la proposition du Ministre chargŽ de lÕEconomie, de lÕEmploi, de lÕEnergie et du Logement;

Op voorstel van de Minister belast met Tewerkstelling, Economie, Energie en Huisvesting ;

Aprs dŽlibŽration ;

Na beraadslaging,

ARRETE

BESLUIT

Chapitre premier. DŽfinitions

Hoofdstuk I. Definities

Article premier. ¤1er. Pour lÕapplication du prŽsent arrtŽ, lÕon entend par :

Artikel 1. ¤1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:

1”        Ē ordonnance Č : Ē lÕordonnance du 19 juillet 2001 relative ˆ lÕorganisation du marchŽ de lՎlectricitŽ en RŽgion de Bruxelles-Capitale Č ;

1” Ē ordonnantie Č : Ē de ordonnantie van 19 juli 2001 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest Č;

2”        Ē loi du 20 juillet 1990 Č : Ē la loi du 20 juillet 1990 concernant lÕaccrŽditation des organismes de certification et de contr™le, ainsi que des laboratoires dÕessais Č ;

2” Ē de wet van 20 juli 1990 Č : Ē de wet van 20 juli 1990 betreffende de accreditatie van certificatie- en keuringsinstellingen, alsmede van beproevingslaboratoria Č ;

3” Ē directive 2001/77/CE Č : Ē la directive 2001/77/CE du Parlement europŽen et du Conseil du 27 septembre 2001 relative ˆ la promotion de lՎlectricitŽ produite ˆ partir de sources dՎnergie renouvelables sur le marchŽ intŽrieur de lՎlectricitŽ Č ;

3” Ē richtlijn 2001/77/EG Č : Ē de richtlijn  van het Europees Parlement en van de Raad van 27 september 2001 betreffende de bevordering van elektriciteitsopwekking uit hernieuwbare energiebronnen op de interne elektriciteitsmarkt Č ;

4” Ē ŽlectricitŽ nette Č : Ē lՎlectricitŽ totale produite par une installation de production, diminuŽe de lՎlectricitŽ consommŽe par les Žquipements fonctionnels de lÕinstallation considŽrŽe ou servant ˆ la prŽparation des sources dՎnergie primaire nŽcessaires ˆ la production dՎlectricitŽ Č ;

4” Ē netto-elektriciteit Č : Ē de door een productie-installatie totaal geproduceerde elektriciteit, verminderd met de elektriciteit verbruikt door de functionele voorzieningen van de betrokken installatie of die dient ter voorbereiding van de primaire energiebronnen voor de productie van elektriciteit Č ;

5” Ē chaleur utile Č : Ē la chaleur produite au moyen dÕune installation de cogŽnŽration en vue de satisfaire une demande Žconomiquement justifiable de production de chaleur et/ou de froid Č ;

5” Ē nuttige warmte Č : Ē de warmte geproduceerd door een warmtekrachtinstallatie om te voldoen aan een economisch verantwoorde vraag naar de productie van warmte en/of koude Č ;

6” Ē demande Žconomiquement justifiable Č : Ē la demande qui ne dŽpasse pas les besoins de lÕutilisateur en chaleur et/ou en froid et qui, ˆ dŽfaut dՐtre satisfaite par voie de cogŽnŽration, devrait lՐtre aux conditions du marchŽ par dÕautres processus de production dՎnergie Č ;

6” Ē economisch verantwoorde vraag Č : Ē  de vraag die de noden van de verbruiker van warmte en/of koude niet overstijgt en die, bij gebrek om door warmtekracht te worden voldaan, door andere energieproductieprocessen zou moeten worden voldaan tegen de marktvoorwaardenČ ;

7” Ē coefficient dՎmission de CO2 Č : Ē quantitŽ de gaz ˆ effet de serre associŽs, dÕune part, ˆ la prŽparation des sources dՎnergie primaire (extraction, traitement, rŽcolte, culture et transport) et, dÕautre part, ˆ la combustion de ces mmes sources dՎnergie primaire pour la gŽnŽration dՎlectricitŽ et/ou de chaleur ; les gaz ˆ effet de serre pris en compte sont : le dioxyde de carbone, le mŽthane ainsi que le protoxyde dÕazote ; le coefficient dՎmission de CO2 est exprimŽ en kg dՎquivalent de dioxyde de carbone par MWh primaire Č  ;

7” Ē CO2 emissieco‘ffici‘nt Č : Ē hoeveelheid broeikaseffectgassen verbonden, enerzijds, met de voorbereiding van primaire energiebronnen (winning, behandeling, inzameling, ontwikkeling en vervoer), en, anderzijds, met de verbranding van diezelfde primaire energiebronnen voor het opwekken van elektriciteit en/of warmte; de broeikasgassen die in rekening worden gebracht zijn: koolstofdioxide, methaan alsook distikstofoxide; de CO2 emissieco‘ffici‘nt wordt uitgedrukt in kg koolstofdioxide-equivalent per primaire MWh Č;

8” Ē Service Č : Ē le Service rŽgulation de lÕInstitut Bruxellois pour la Gestion de lÕEnvironnement Č.

8” Ē Dienst Č : Ē de Reguleringsdienst van het Brussels Instituut voor Milieubeheer Č.

¤2. Pour le surplus, les dŽfinitions de lÕarticle 2 de lÕordonnance sont applicables au prŽsent arrtŽ.

¤2. Voor het overige zijn de definities vervat in artikel 2 van de ordonnantie van toepassing op dit besluit.

Chapitre II. La certification des installations de production dՎlectricitŽ verte et de cogŽnŽration

Hoofdstuk II. De certifi‘ring van installaties voor de productie van groene elektriciteit en warmtekracht

Section premire. Principes

Afdeling I. Principes

Art. 2. Pour pouvoir bŽnŽficier de certificats verts, aux conditions dŽfinies aux Sections I et II du Chapitre IV, une installation de production dՎlectricitŽ verte ou de cogŽnŽration situŽe sur le territoire de la RŽgion de Bruxelles-Capitale doit avoir fait lÕobjet dÕune certification prŽalable.

Art. 2. Om groenestroomcertificaten aan de voorwaarden bepaald in Afdelingen I en II van Hoofdstuk IV te kunnen verkrijgen, moet een installatie voor de productie van groene elektriciteit of van warmtekracht gelegen op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest het voorwerp uitmaken van een voorafgaandelijke certifi‘ring.

Cette certification atteste que lÕinstallation considŽrŽe est une installation de production dՎlectricitŽ verte ou de cogŽnŽration et que sa conception permet de comptabiliser les quantitŽs dՎnergie consommŽes et produites conformŽment au code de comptage arrtŽ par le Ministre, sur proposition du Service.

Deze certifi‘ring verklaart dat de betrokken installatie een installatie voor de productie van groene elektriciteit of van warmtekracht is en dat haar conceptie toelaat om de verbruikte en geproduceerde hoeveelheden energie te berekenen overeenkomstig de berekeningscode die door de Minister werd vastgelegd, op voorstel van de Dienst.

Art. 3. ¤1er. La certification des installations de production dՎlectricitŽ verte et de cogŽnŽration est rŽalisŽe par le Service, conformŽment ˆ la procŽdure organisŽe ˆ la Section II.

Art. 3. ¤1. De certifi‘ring van de installaties voor de productie van groene elektriciteit en van warmtekracht gebeurt door de Dienst, overeenkomstig de procedure bepaald in Afdeling II.

¤2. Le cas ŽchŽant, le Ministre peut dŽcider dÕagrŽer des organismes, aux conditions et selon la procŽdure quÕil fixe, aux fins dÕassister le Service dans sa mission de certification.

¤2. Desgevallend kan de Minister beslissen organismen te erkennen aan de voorwaarden en volgens de procedure die hij bepaalt, om de Dienst bij te staan in haar certifi‘ringsopdracht.

En tout Žtat de cause ne peut tre agrŽŽ par le Ministre que lÕorganisme qui :

In ieder geval kan een organisme door de Minister erkend worden enkel wanneer het:

1” dispose de la personnalitŽ juridique ;

1” beschikt over de juridische persoonlijkheid ;

2” est indŽpendant des producteurs et des fournisseurs dՎlectricitŽ ;

2” onafhankelijk is van de elektriciteitsproducenten en Šleveranciers ;

3” satisfait aux critres de la norme NBN EN-45004 et est accrŽditŽ conformŽment au systme BELCERT Žtabli en exŽcution de la loi du 20 juillet 1990 ou conformŽment ˆ une procŽdure de certification reconnue Žquivalente dans un autre Etat membre de lÕUnion europŽenne.

3” beantwoordt aan de criteria van de NBN EN-45004-norm en erkend wordt overeenkomstig het BELCERT-systeem bepaald in uitvoering van de wet van 20 juli 1990 of overeenkomstig een gelijkwaardige certifi‘ringsprocedure in een andere Lidstaat van de Europese Unie.

Section II. La procŽdure de certification

Afdeling II. De certifi‘ringsprocedure

Art. 4.  Toute demande de certification est adressŽe au Service, qui en accuse immŽdiatement rŽception, au moyen du formulaire Žtabli et mis ˆ disposition par celui-ci.

Art. 4. Elke certifi‘ringsaanvraag wordt gericht aan de Dienst, die onverwijld de ontvangst ervan bericht, door middel van een formulier dat door hij wordt voorbereid en ter beschikking wordt gesteld.

Le demandeur joint, en annexe au formulaire visŽ ˆ lÕalinŽa 1er, les documents suivants :

De aanvrager hecht bij het formulier bedoeld in het eerste lid de volgende documenten :

1” les schŽmas affŽrents ˆ lÕinstallation considŽrŽe et notamment :

1” de schemaÕs betreffende de betrokken installatie en onder meer :

- un schŽma gŽnŽral de conception de lÕinstallation reprenant lÕemplacement des instruments de mesure ;

- een algemeen schema van de conceptiering van de installatie dat de plaats van de meetinstrumenten aantoont;

- un schŽma unifilaire Žlectrique ;

- een schema van het elektrisch net;

- un schŽma Ē Žnergie primaire Č ;

- een schema Ē primaire energie Č;

- un schŽma Ē fluide thermique Č ;

- een schema Ē thermische vloeistof Č;

2” les fiches techniques relatives ˆ lÕinstallation ou ˆ ses composants et notamment :

2” de technische fiches met betrekking tot de installatie of de onderdelen ervan en onder meer :

- les fiches techniques des compteurs ou, ˆ dŽfaut, les ŽlŽments dÕinformation permettant dÕapprŽcier le degrŽ de prŽcision et les conditions de pose de ceux-ci ;

- de technische fiches van de tellers of, bij gebreke, de gegevens die moeten toelaten om de precisiegraad en de plaatsingsvoorwaarden ervan te beoordelen;

- les fiches techniques des sondes liŽes aux compteurs ou, ˆ dŽfaut, les ŽlŽments dÕinformation permettant dÕapprŽcier le degrŽ de prŽcision ainsi que la compatibilitŽ de celles-ci avec les compteurs auxquelles elles sont reliŽes ;

- de technische fiches van de sondes verbonden met de tellers of, bij gebreke, de gegevens die moeten toelaten om de precisiegraad alsook de verenigbaarheid ervan met de tellers waaraan ze verbonden zijn te beoordelen;

3” sÕil y a lieu, une copie du permis dÕenvironnement et du permis dÕurbanisme relatifs ˆ lÕinstallation ;

3” desgevallend een kopie van de milieuvergunning en van de stedenbouwkundige vergunning betreffende de installatie ;

4” sÕil Žchet, une copie du contrat relatif ˆ la vente de chaleur et/ou dՎlectricitŽ par le propriŽtaire de lÕinstallation ˆ des tiers ;

4” in voorkomend geval, een kopie van het contract betreffende de verkoop van warmte en/of elektriciteit door de eigenaar van de installatie aan derden;

5” sÕil est disponible, lÕhistorique mensuel des quantitŽs consommŽes et produites par lÕinstallation depuis sa mise en service ou si celle-ci est intervenue plus de trois ans avant lÕintroduction de la demande, au cours des 36 derniers mois ;

5” indien het beschikbaar is, het maandelijkse overzicht van de door de installatie verbruikte en geproduceerde hoeveelheden sinds haar inwerkingstelling of, indien deze meer dan drie jaar voor het indienen van de aanvraag  heeft plaatsgevonden in de loop van de laatste 36 maanden ;

6” si celle-ci est disponible, lՎtude ayant servi au dimensionnement de lÕinstallation lorsquÕil sÕagit dÕune installation de cogŽnŽration ;

6” indien deze beschikbaar is, de studie die gediend heeft voor de dimensionering van de installatie wanneer het een installatie betreft voor warmtekracht ;

7” tout document Žtablissant la date de la  mise en service de lÕinstallation.

7” elk document dat de datum van inwerkingstelling van de installatie vaststelt.

Art. 5.  ¤1er. Le Service examine si la demande est complte et informe le demandeur du caractre complet ou non de sa demande dans le mois de la rŽception de celle-ci.

Art. 5. ¤1. De Dienst onderzoekt of de aanvraag volledig is en brengt de aanvrager op de hoogte van het al of niet volledig zijn van zijn aanvraag binnen de maand na ontvangst ervan.

SÕil constate que la demande est incomplte, le Service prŽcise les motifs pour lesquels la demande est incomplte et le dŽlai dont le demandeur dispose pour apporter les informations ou les pices manquantes quÕil dŽsigne.

Indien hij vaststelt dat de aanvraag onvolledig is, verduidelijkt de Dienst de redenen waarom de aanvraag onvolledig is en de termijn waarover de aanvrager beschikt om de ontbrekende gegevens en stukken die hij aanduidt over te maken.

¤2.       Dans un dŽlai dÕun mois ˆ dater de la constatation du caractre complet de la demande, le Service ou, sur instruction de celui-ci, un organisme agrŽŽ visŽ ˆ lÕarticle 3 effectue une visite de l'installation concernŽe.

¤2. Binnen een termijn van ŽŽn maand vanaf het vaststellen van de volledigheid van de aanvraag, brengt de Dienst of, op haar instructie, een in artikel 3 bedoeld organisme, een bezoek aan de betrokken installatie.

Cette visite se dŽroule conformŽment au cahier de charges arrtŽ par le Ministre, sur proposition du Service.

Dit bezoek verloopt overeenkomstig het bestek dat door de Minister wordt bepaald, op voorstel van de Dienst.

Art. 6.  ¤1er. Dans un dŽlai dÕun mois ˆ dater de la visite prŽvue ˆ l'article prŽcŽdent, le Service certifie lÕinstallation qui rŽpond aux critres de lÕarticle 2, alinŽa 2.

Art. 6. ¤1. Binnen een termijn van ŽŽn maand vanaf het bezoek bedoeld in het vorige lid, certificeert de Dienst de installatie die beantwoordt aan de criteria vermeld in artikel 2, tweede lid.

¤2. Cette certification se matŽrialise par la dŽlivrance dÕune attestation de conformitŽ qui, sans prŽjudice de lÕarticle 9, vaut pour toute la durŽe de vie de lÕinstallation et contient, au minimum, les informations suivantes :

¤2. Deze certifi‘ring geschiedt door de afgifte van een conformiteitsattest dat, zonder afbreuk aan artikel 9, geldig is voor de volledige levensduur van de installatie en bevat, op zijn minst, de volgende gegevens:

- lÕidentification de lÕinstallation ;

- de identificatie van de installatie ;

- sa date de mise en service ;

- de datum van indienststelling ;

- la technologie de production ;

- de productie-technologie ;

- les sources dՎnergie utilisŽes.

- de gebruikte energiebronnen.

¤3. Paralllement ˆ lÕoctroi de lÕattestation visŽe au ¤2, le Service attribue ˆ lÕinstallation certifiŽe un Ē compte Č dans la banque de donnŽes visŽe ˆ l'article 19.

¤3. Gelijktijdig met het toekennen van het conformiteitsattest bedoeld in ¤2, kent de Dienst aan de gecertificeerde installatie een Ē rekening Č toe in de gegevensbank bedoeld in artikel 19.

Section III. Modification, contr™le et transfert de propriŽtŽ des installations certifiŽes

Afdeling III. Wijziging, controle en overdracht van eigendom van de gecertificeerde installaties 

Art. 7. Toute modification mme mineure apportŽe ˆ lÕinstallation ou ˆ lÕun de ses composants, et notamment aux instruments de mesure, est notifiŽe au Service dans les quinze jours.

Art. 7. Iedere wijziging, hoe miniem ook, gebracht aan de installatie of ŽŽn van de onderdelen ervan, en onder meer aan de meetinstrumenten, moet binnen de 15 dagen aan de Dienst betekend worden.

Art. 8. A tout moment, et au minimum une fois par an, le Service peut contr™ler ou requŽrir dÕun organisme agrŽŽ quÕil contr™le une installation certifiŽe aux fins de vŽrifier que celle-ci rŽpond toujours aux conditions qui ont conduit ˆ sa certification.

Art. 8. Op elk ogenblik, en tenminste ŽŽn keer per jaar, kan de Dienst een controle van de gecertificeerde installatie uitvoeren of laten uitvoeren door een erkend organisme om te onderzoeken of deze nog steeds beantwoordt aan de voorwaarden die geleid hebben tot de certifi‘ring.

Art. 9. Au terme des vŽrifications effectuŽes  dans les cas visŽs aux articles 7 et 8, le Service procde, le cas ŽchŽant, au retrait ou ˆ lÕadaptation de lÕattestation de conformitŽ  dŽlivrŽe ˆ lÕinstallation concernŽe.

Art. 9. Na het onderzoek uitgevoerd in de gevallen bedoeld in artikelen 7 en 8, gaat de Dienst, desgevallend, over tot de intrekking of de aanpassing van het conformiteitsattest dat afgeleverd werd aan de betrokken installatie.

Art. 10. Tout transfert de propriŽtŽ d'une installation certifiŽe est notifiŽ sans dŽlai au Service.

Art. 10. Elke overdracht van eigendom van een gecertificeerde installatie wordt onverwijld betekend aan de Dienst.

Il nÕaffecte pas la validitŽ de lÕattestation de conformitŽ octroyŽe ˆ lÕinstallation concernŽe.

Het wijzigt de geldigheid van het conformiteitsattest dat aan de betrokken installatie werd toegekend niet.

Chapitre III. Garanties dÕorigine de lՎlectricitŽ produite ˆ partir de sources dՎnergie renouvelable

Hoofdstuk III. Garanties van oorsprong voor de elektriciteitsopwekking uit hernieuwbare energiebronnen

Art. 11. ¤1er. Une garantie dÕorigine, au sens de lÕarticle 5 de la directive 2001/77/CE, peut tre octroyŽe par le Service pour une pŽriode de production dŽterminŽe au  titulaire dÕune installation de production dՎlectricitŽ verte certifiŽe conformŽment au Chapitre II.

Art. 11. ¤1. Een garantie van oorsprong, in de zin van artikel 5 van de richtlijn 2001/77/EG, kan door de Dienst worden toegekend voor een bepaalde productieperiode aan de houder van een installatie voor de productie van groene elektriciteit gecertificeerd overeenkomstig Hoofdstuk II.

Cette garantie dÕorigine mentionne la source dՎnergie ˆ partir de laquelle lՎlectricitŽ a ŽtŽ produite, la technologie de production, les pŽriode et lieu de production et, pour une installation hydroŽlectrique, la capacitŽ de production.

De garantie van oorsprong vermeldt de energiebron waaruit de elektriciteit werd geproduceerd, de productie technologie, de periode en de plaats van productie en, voor een waterkrachtinstallatie, de productiecapaciteit.

Lorsque de lՎlectricitŽ est produite par lÕinstallation utilisant de la biomasse au sens de lÕarticle 2 de la Directive 2001/77 et dÕautres sources dՎnergie, la garantie dÕorigine est octroyŽe pour lՎlectricitŽ verte produite correspondant ˆ la biomasse utilisŽe.

Als de elektriciteit wordt geproduceerd door een installatie die biomassa, in de zin van het artikel 2 van de Richtlijn 2001/77, en andere energiebronnen gebruikt, wordt de garantie van oorsprong toegekend voor de geproduceerde groene elektriciteit die met de gebruikte biomassa overeenstemt.

¤2. Toute demande de garantie dÕorigine est adressŽe au Service, au moyen du formulaire Žtabli par celui-ci.

¤2. Elke aanvraag voor een garantie van oorsprong wordt aan de Dienst gericht door middel van het formulier dat door hem wordt opgesteld.

Art. 12. ¤1er . LÕoctroi dÕune garantie dÕorigine pour une pŽriode de production dŽterminŽe exclut lÕoctroi, pour la mme pŽriode, de certificats verts conformŽment au systme dŽcrit au Chapitre IV.

Art. 12. ¤ 1. De toekenning van een garantie van oorsprong voor een bepaalde productieperiode sluit uit dat, voor diezelfde periode, groenestroomcertificaten worden toegekend overeenkomstig het systeem beschreven in Hoofdstuk IV.

¤2. Toute garantie dÕorigine octroyŽe par le service est librement transmissible et nŽgociable au mme titre que les certificats verts.

¤2. Elke door de dienst toegekende garantie van oorsprong is vrij onverdraagbaar en onderhandelbaar, zoals het voor de groenestroomcertificaten het geval is.

Chapitre IV. Le systme des certificats verts

Hoofdstuk IV. Het systeem van groenestroomcertificaten

Section premire. Conditions dÕattribution des certificats verts

Afdeling I. Voorwaarden voor de toekenning van groenestroomcertificaten

Art. 13.            Les donnŽes enregistrŽes par les instruments de mesure des installations certifiŽes sont communiquŽes au Service le dernier jour ouvrable de chaque trimestre civil.

Art. 13. De gegevens die door de meetinstrumenten van de gecertificeerde installaties worden opgenomen, worden de laatste werkdag van elk trimester meegedeeld aan de Dienst.

Art. 14. ¤1er. Le Service attribue des certificats verts, pour le trimestre concernŽ, ˆ lÕinstallation qui rŽpond aux conditions suivantes :

Art. 14. ¤1. De Dienst kent voor het betreffende trimester  groenestroom-certificaten toe aan de installatie  die beantwoordt aan de volgende voorwaarden:

1” moins de 10 ans se sont ŽcoulŽs entre le dernier jour du trimestre concernŽ et le dernier jour du trimestre au cours duquel lÕinstallation a ŽtŽ mise en service ;

1” minder dan 10 jaar zijn verlopen tussen de laatste dag van het betreffende trimester en de laatste dag van het trimester tijdens hetwelk de installatie in werking werd gesteld;

2” lÕinstallation rŽalise, sur base des donnŽes de mesure transmises pour le trimestre concernŽ, une Žconomie relative de CO2 supŽrieure ou Žgale ˆ 5%.

2” op basis van de meetgegevens die voor het betreffende trimester werden overgemaakt is de relatieve CO2-besparing van de installatie gelijk of hoger dan 5 %.

¤2. Une cogŽnŽration est dite Ē de qualitŽ Č lorsquÕelle rŽpond ˆ la condition visŽe au ¤1er, 2”.

¤2. Warmtekracht is Ē van kwaliteit Č indien ze beantwoordt aan de voorwaarde bedoeld in ¤1, 2”.

Section II. Mode de calcul de lՎconomie relative de CO2 et du nombre de certificats verts

Afdeling II. Berekeningswijze van de relatieve CO2-besparing en van het aantal groenestroomcertificaten

Art. 15. LՎconomie relative de CO2 visŽe ˆ lÕarticle 14 sÕobtient en divisant lՎconomie de CO2 rŽalisŽe par lÕinstallation considŽrŽe au cours du trimestre concernŽ par le CO2 Žmis par des installations de rŽfŽrence pour produire les mmes quantitŽs dՎlectricitŽ nette et, le cas ŽchŽant, de chaleur utile.

Art. 15. De relatieve CO2-besparing bedoeld in artikel 14 wordt bekomen door de door de betrokken installatie verwezenlijkte CO2-besparing tijdens het betreffende trimester te delen door de CO2-uitstoot van de referentie-installaties voor de productie van dezelfde hoeveelheden netto-elektriciteit en, desgevallend, van nuttige warmte.

LՎconomie de CO2 visŽe ˆ lÕalinŽa 1er  sÕobtient par diffŽrence entre le CO2 Žmis par les installations de rŽfŽrence et le CO2 Žmis par lÕinstallation concernŽe.

De CO2-besparing bedoeld in het eerste lid wordt bekomen door het verschil tussen de CO2 uitgestoten door de referentie-installaties en de CO2 uitgestoten door de betrokken installatie.

Par installations de rŽfŽrence visŽes aux alinŽas prŽcŽdents, on entend :

Onder referentie-installaties bedoeld in de vorige leden wordt verstaan:

- pour la production Žlectrique : une centrale Žlectrique de type turbine gaz vapeur alimentŽe au gaz naturel ;

- voor de elektriciteitsproductie : een elektriciteitscentrale van het gasstroomturbine-type bevoorraad door aardgas;

- pour la production de chaleur: une chaudire alimentŽe au gaz naturel ;

- voor de productie van warmte : een verwarmingsketel bevoorraad door aardgas;

- pour la production de froid : un groupe frigorifique ˆ compression alimentŽ par lÕinstallation de rŽfŽrence pour la production Žlectrique.

- voor de productie van koude : een koelgroep onder druk bevoorraad door de referentie-installatie voor de productie van elektriciteit.

Art. 16. Le nombre de certificats verts octroyŽs ˆ une installation qui rŽpond aux conditions de lÕarticle 14 sÕobtient en divisant lՎconomie de CO2 rŽalisŽe par lÕinstallation considŽrŽe, au cours du trimestre concernŽ, par le coefficient dՎmission de CO2 du gaz naturel.

Art. 16. Het aantal groenestroomcertificaten dat wordt toegekend aan een installatie die beantwoord aan de voorwaarden van artikel 14 wordt bekomen door de gerealiseerde CO2-besparing van de betrokken installatie tijdens het betreffende trimester te delen door de CO2-emissie-co‘ffici‘nt van aardgas.

Le coefficient dՎmission de CO2 de lÕinstallation est Žtabli par le Service, sur base des donnŽes transmises pour le trimestre.

De CO2-emissie-co‘ffici‘nt van de installatie wordt bepaald door de Dienst op basis van de gegevens die voor dat trimester werden overgemaakt.

Art. 17. Les formules de calcul de lՎconomie relative de CO2 et du nombre de certificats verts figurent en annexe I au prŽsent arrtŽ.

Art. 17. De berekeningsformules van de relatieve CO2-besparing en van het aantal groenestroomcertificaten worden vermeld in de bijlage I  bij dit besluit.

Art. 18. Les coefficients dՎmission de CO2 des combustibles fossiles ainsi que les rendements ŽnergŽtiques des installations de rŽfŽrence figurent en annexe II au prŽsent arrtŽ.

Art. 18. De CO2-emissie-co‘ffici‘nten van de fossiele brandstoffen alsook de energierendementen van de referentie-installaties worden vermeld in de bijlage II bij dit besluit.

Ils peuvent tre revus, sur proposition du Service, compte tenu notamment de lՎvolution de la technique et des technologies disponibles.

Ze kunnen worden herzien, op voorstel van de Dienst, rekening houdend onder meer met de evolutie van de techniek en van de beschikbare technologie‘n.

En cas de rŽvision en application de lÕalinŽa 2, le coefficient dՎmission de CO2 ou le rendement ŽnergŽtique nouveaux nÕinterviennent, dans le calcul de lՎconomie relative de CO2 et du nombre de certificats verts octroyŽs, que pour les installations mises en service aprs leur entrŽe en vigueur.

In geval van herziening in toepassing van lid 2, komt de nieuwe CO2-emissie-co‘ffici‘nt of het nieuwe energierendement in de berekening van de relatieve CO2-besparing en van het aantal toegekende groenestroomcertificaten slechts tussen voor de installaties die in werking werden gesteld na hun inwerkingtreding.

Section III. Octroi de certificats verts

Afdeling III. Toekenning van groenestroomcertificaten

Art. 19. LÕoctroi de certificats verts se fait sous forme immatŽrielle, par lÕinscription dÕun titre de certificats verts au crŽdit du compte correspondant ˆ lÕinstallation dans la banque de donnŽes mise sur pied par le Service ˆ cette fin.

Art. 19. De toekenning van groenestroomcertificaten geschiedt onder immateri‘le vorm, door de inschrijving van een titel voor groenestroomcertificaten op het krediet van de rekening die overeenkomt met de installatie in de gegevensbank die hiertoe door de Dienst werd ingericht.

La gestion de la banque de donnŽes visŽe ˆ lÕalinŽa 1er est assurŽe par le Service ou, le cas ŽchŽant, par lÕorganisme auquel le Ministre aurait dŽcidŽ de confier cette mission, sur proposition du Service.

Het beheer van de gegevensbank bedoeld in het eerste lid wordt waargenomen door de Dienst of, desgevallend, door het organisme waaraan, bij beslissing van de Minister op voorstel van de Dienst, deze opdracht zou zijn toevertrouwd.

Art. 20. Tout certificat vert a une durŽe de validitŽ limitŽe ˆ cinq ans, ˆ dater du jour o il a ŽtŽ octroyŽ.

Art. 20. Elk groenestroomcertificaat heeft een geldigheidsduur van 5 jaar vanaf de dag waarop het werd toegekend.

Section IV. Achat et vente de certificats verts

Afdeling IV. Aankoop en verkoop van groenestroomcertificaten

Art. 21. Tout certificat vert est librement transmissible et nŽgociable ˆ moins que sa durŽe de validitŽ nÕait expirŽ ou quÕil ait ŽtŽ annulŽ par le Service dans le cas visŽ ˆ lÕarticle 26.

Art. 21. Elk groenestroomcertificaat is vrij overdraagbaar en verhandelbaar tenzij de geldigheidsduur ervan verstreken zou zijn of het door de Dienst geannuleerd werd in het geval bedoeld in artikel 26.

Art. 22. Toute personne physique ou morale qui dŽsire acheter ou vendre des certificats verts doit prŽalablement sՐtre fait attribuer un compte dans la banque de donnŽes visŽe ˆ lÕarticle 19, selon les modalitŽs dŽterminŽes par le gestionnaire de celle-ci.

Art. 22. Elke natuurlijke of rechtspersoon die groenestroomcertificaten wenst te kopen of te verkopen moet zich vooraf een rekening hebben laten toekennen in de gegevensbank bedoeld in artikel 19, overeenkomstig de modaliteiten bepaald door de beheerder ervan.

Le vendeur indique au gestionnaire de la banque de donnŽes les certificats verts qui font lÕobjet de la transaction, le prix de la transaction ainsi que les coordonnŽes de lÕacquŽreur.

De verkoper duidt aan de beheerder van de gegevensbank de groenestroomcertificaten aan die het voorwerp uitmaken van de overeenkomst, de prijs van de overeenkomst alsook de gegevens van de koper.

Les certificats verts transfŽrŽs sont inscrits au dŽbit du compte du vendeur et au crŽdit du compte de lÕacheteur.

De overgedragen groenestroomcertificaten worden ingeschreven op het debet van de rekening van de verkoper en op het krediet van de rekening van de koper.

Art. 23. Le Service publie chaque annŽe le prix moyen des certificats verts qui ont ŽtŽ nŽgociŽs au cours de lÕannŽe prŽcŽdente.

Art. 23. De Dienst maakt elk jaar de gemiddelde prijs bekend van de groenestroomcertificaten die tijdens het voorafgaande jaar werden verhandeld.

Section V. Obligations ˆ charge des fournisseurs

Afdeling V. Verplichtingen lastens de leveranciers

Art. 24. Chaque fournisseur communique au Service au plus tard le 31 janvier de chaque annŽe les chiffres relatifs aux fournitures quÕil a rŽalisŽes au cours de lÕannŽe prŽcŽdente ˆ destination de ses clients Žligibles Žtablis sur le territoire de la RŽgion de Bruxelles-Capitale.

Art. 24. Iedere leverancier deelt ten laatste op 31 januari van elk jaar aan de Dienst de cijfers mee betreffende de leveringen die hij het  voorafgaande jaar heeft verricht voor in aanmerking komende afnemers gevestigd op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

Ces chiffres sont comparŽs avec les donnŽes disponibles auprs des gestionnaires de rŽseaux, et qui ont ŽtŽ utilisŽes pour la facturation des services dÕaccs aux rŽseaux.

De cijfers worden vergeleken met de beschikbare gegevens bij de netbeheerders, en die gebruikt werden voor de facturatie van de diensten voor de toegang tot de netten.

Art. 25. Sur base des chiffres visŽs ˆ lÕarticle 24, le Service calcule et communique ˆ chaque fournisseur, pour le 28 fŽvrier au plus tard, le nombre de certificats verts que celui-ci doit lui remettre, conformŽment ˆ lÕarticle 28, ¤2 de lÕordonnance.

 Art. 25. Op basis van de cijfers bedoeld in artikel 24, berekent en deelt de Dienst iedere leverancier mee, ten laatste op 28 februari, het aantal certificaten dat deze aan de Dienst moet afgeven, overeenkomstig artikel 28, ¤2 van de ordonnantie.

Pour le 31 mars au plus tard, chaque fournisseur indique au Service, parmi les certificats verts inscrits sur son compte,  ceux qui doivent tre comptabilisŽs pour le respect de ses obligations.

Ten laatste op 31 maart, duidt iedere leverancier aan de Dienst aan, welke van de groenestroomcertificaten die op zijn rekening staan in rekening moeten worden gebracht voor de naleving van zijn verplichtingen.

Le choix dont jouit le fournisseur est libre pour autant que les certificats verts quÕil dŽsigne aient ŽtŽ Žmis par le Service ou reconnus par le Ministre, conformŽment au Chapitre V, et soient toujours transmissibles.

De leverancier heeft een vrije keuze voor zover de groenestroomcertificaten die hij aanduidt werden uitgegeven door de Dienst of erkend door de Minister, overeenkomstig Hoofdstuk V, en nog steeds overdraagbaar zijn.

Art. 26. Tout certificat vert pris en compte pour le respect des obligations dÕun fournisseur, conformŽment ˆ lÕarticle 28, ¤2 de lÕordonnance, est annulŽ dans la banque de donnŽes.

Art. 26. Elk certificaat dat in rekening wordt  gebracht voor de naleving van de verplichtingen van een leverancier, overeenkomstig artikel 28, ¤2 van de ordonnantie, wordt in de gegevensbank geannuleerd.

Chapitre V Š Conditions et modalitŽs de reconnaissance des certificats verts Žmis par dÕautres autoritŽs

Hoofdstuk V Š Voorwaarden en modaliteiten voor de erkenning van de groenestroomcertificaten afgeleverd door andere overheden

Art. 27. ¤1er.  Sur avis conforme du Service, le Ministre peut reconna”tre les certificats verts Žmis par dÕautres autoritŽs nationales ou Žtrangres pour autant quÕils rŽpondent, au minimum,  aux conditions suivantes :

Art. 27. ¤1. Op eensluidend advies van de Dienst, kan de Minister groenestroomcertificaten erkennen die afgeleverd werden door andere nationale of buitenlandse overheden, voor zover ze minstens beantwoorden aan de volgende voorwaarden:

1”        tre relatifs ˆ de la production dՎlectricitŽ verte ou ˆ de la cogŽnŽration ;

1” betrekking hebben op de productie van groene elektriciteit of warmtekracht;

2”        avoir ŽtŽ attribuŽs ˆ des installations qui ont ŽtŽ certifiŽes conformŽment ˆ une procŽdure comparable ˆ celle organisŽe au Chapitre II ;

2” toegekend zijn aan installaties die gecertificeerd werden overeenkomstig een procedure die vergelijkbaar is met die bepaald in Hoofdstuk II;

3”        avoir ŽtŽ attribuŽs sur base de lՎlectricitŽ produite et/ou de lՎconomie relative de CO2 rŽalisŽe par rapport ˆ des installations de rŽfŽrence ;

3” toegekend zijn op basis van de geproduceerde elektriciteit en/of de CO2-besparing verwezenlijkt ten opzichte van  referentie-installaties;

4” avoir ŽtŽ dŽlivrŽs en vertu dÕun systme fiable qui garantit notamment lÕimpossibilitŽ de dupliquer des certificats verts ou de rŽutiliser des certificats verts dŽjˆ remis ˆ dÕautres autoritŽs ou dont la durŽe de validitŽ a expirŽ.

4” afgeleverd zijn krachtens een betrouwbaar systeem dat onder meer de zekerheid biedt dat de groenestroomcertificaten niet kunnen worden gekopieerd of opnieuw gebruikt hoewel ze reeds bij andere overheden werden neergelegd of hun geldigheidsduur reeds overschreden is.

¤2.       Outre les conditions visŽes au ¤1er, le Ministre peut notamment subordonner la reconnaissance ˆ des conditions de rŽciprocitŽ ou de reconnaissance mutuelle sur le marchŽ des certificats verts dÕo proviennent les certificats reconnus.

¤2. Naast de voorwaarden bedoeld in ¤1, kan de Minister de erkenning onderwerpen aan reciprociteitsvoorwaarden of voorwaarden van wederzijdse erkenning op de markt voor de groenestroomcertificaten van waar de erkende certificaten afkomstig zijn.

Art. 28. ¤1er. La reconnaissance vaut pour une pŽriode de dix ans ˆ dater de lÕacte de reconnaissance du Ministre.

Art. 28. ¤1. De erkenning is geldig voor een periode van 10 jaar vanaf de erkenningsakte van de Minister.

¤2. Le Service est chargŽ de vŽrifier que les conditions de reconnaissance de lÕarticle 27 restent remplies et fait rapport au Ministre.

¤2. De Dienst is ermee belast te onderzoeken of de erkenningsvoorwaarden van artikel 27 nog steeds zijn vervuld en maakt daarvan verslag over aan de Minister.

En cas de fraude, le Ministre peut suspendre ou retirer sa dŽcision de reconnaissance.

In geval van fraude, kan de Minister zijn erkenningsbeslissing opschorten of intrekken.

Chapitre VI. Š Dispositions diverses et finales

Hoofdstuk VI. Diverse en Slotbepalingen

Art. 29.            Les infractions aux dispositions de lÕarticle 7 sont punies dÕune peine dÕemprisonnement dÕun ˆ six mois et dÕune amende de 1,24 ˆ 495,79 Ū ou dÕune de ces peines seulement.

Art. 29. De inbreuken op artikel 7 worden bestraft met een gevangenisstraf van ŽŽn tot zes maanden en een geldboete van 1,24 tot 495,79 Ū of met ŽŽn van die straffen alleen.

Art. 30. Pour le calcul du nombre de certificats verts qui doit tre remis pour lÕannŽe 2004, les chiffres des fournitures aux clients Žligibles pris en compte sont ceux relatifs ˆ la pŽriode allant du 1er juillet au 31 dŽcembre 2004.

Art. 30. Voor de berekening van het aantal groenestroomcertificaten dat voor het jaar 2004 moet worden overgemaakt, zijn de cijfers van de leveringen aan in aanmerking komende afnemers die in rekening moeten worden gebracht, die met betrekking tot de periode van 1 juli tot 31 december 2004.

Art. 31.            Le prŽsent arrtŽ ainsi que ses annexes qui en font partie intŽgrante entrent en vigueur le jour de leur publication au Moniteur belge.

Art. 31. Dit besluit alsook de bijlagen die er volledig deel van uitmaken, treden in werking de dag waarop ze in het Belgisch Staatsblad worden bekendgemaakt.

Art. 32.            Le Ministre est chargŽ de lÕexŽcution du prŽsent arrtŽ.

Art. 32. De Minister is belast met de uitvoering van dit besluit.

Bruxelles, le 6 mai 2004 ;

Brussel, op 6 mei 2004 ;

Pour le Gouvernement de la RŽgion de Bruxelles-Capitale :

Voor de Brusselse Hoofdstedelijke Regering :

   

Le Ministre-PrŽsident du Gouvernement de la RŽgion de Bruxelles-Capitale :

De Minister-Voorzitter van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering :

 

 

 

 

 

 

Jacques SIMONET

 

 

Le Ministre chargŽ de lÕEmploi, de lÕEconomie, de lÕEnergie et du Logement :

De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering belast met Werkgelegenheid, Economie, Energie en Huisvesting :

 

 

 

 

 

 

Eric TOMAS

ANNEXE I

BIJLAGE I

Economie relative de CO2

Relatieve CO2-besparing

Formule de calcul du nombre de certificats verts

Berekeningsformule van het aantal groenestroomcertificaten

 = Nombre de certificats verts attribuŽs ˆ  lÕinstallation sur base de sa production  dՎlectricitŽ nette et, le cas ŽchŽant, de chaleur utile ;

= Aantal groenestroomcertificaten dat aan de installatie wordt toegekend op basis van haar productie van netto-elektriciteit en, desgevallend, van nuttige warmte

= QuantitŽ dՎlectricitŽ nette produite par lÕinstallation, exprimŽe en MWh ;

*= Hoeveelheid netto-elektriciteit die door de installatie wordt geproduceerd, uitgedrukt in MWh ;

= QuantitŽ de chaleur utile produite par lÕinstallation, exprimŽe en MWh ;

= Hoeveelheid nuttige warmte geproduceerd door de installatie, uitgedrukt in MWh ;

= QuantitŽ de froid produite, exprimŽe en MWh, par une installation ˆ absorption ou adsorption au dŽpart dÕune certaine quantitŽ de chaleur utile produite par lÕinstallation ;

*= Hoeveelheid geproduceerde koude, uitgedrukt in MWh, per absorptie of adsorptie-installatie uit een hoeveelheid nuttige warmte geproduceerd door de installatie;

= QuantitŽ de dioxyde de
carbone Žmise par lÕinstallation de rŽfŽrence Žlectrique pour produire une quantitŽ dՎlectricitŽ Žgale ˆ E et sÕil Žchoit une quantitŽ de froid Žgale ˆ F ; elle est exprimŽe en kg de CO2  ;

= Hoeveelheid koolstofdioxide uitgestoten door de elektrische referentie-installatie voor de productie van een hoeveelheid elektriciteit gelijk aan E en, in voorkomend geval, van een hoeveelheid koude gelijk aan F; ze wordt uitgedrukt in kg CO2 ;

= QuantitŽ de dioxyde de carbone Žmise par lÕinstallation de rŽfŽrence thermique pour produire une quantitŽ de chaleur Žgale ˆ Q ; elle est exprimŽe en kg de  CO2 ;

= Hoeveelheid koolstofdioxide uitgestoten door de thermische referentie-installatie om een hoeveelheid warmte te produceren gelijk aan Q ; ze wordt uitgedrukt in kg CO2;

 = QuantitŽ de dioxyde de carbone Žmise par lÕinstallation pour produire une quantitŽ dՎlectricitŽ E, sÕil Žchoit une quantitŽ de chaleur Q et une quantitŽ de froid F ;

= Hoeveelheid koolstofdioxide uitgestoten door de installatie om een hoeveelheid elektriciteit E, in voorkomend geval, een hoeveelheid warmte Q en een hoeveelheid koude F, te produceren;

= QuantitŽ de gaz naturel, exprimŽe en MWh, consommŽe par lÕinstallation de rŽfŽrence Žlectrique pour produire une quantitŽ dՎlectricitŽ Žgale ˆ E et, sÕil Žchoit, une quantitŽ de froid Žgale ˆ F ;

= Hoeveelheid aardgas, uitgedrukt in MWh, verbruikt door de elektrische referentie-installatie om een hoeveelheid elektriciteit gelijk aan E en, in voorkomend geval, een hoeveelheid koude gelijk aan F, te produceren ;

= QuantitŽ de gaz naturel, exprimŽe en MWh, consommŽe par lÕinstallation de rŽfŽrence thermique pour produire une quantitŽ de chaleur Žgale ˆ Q ;

= Hoeveelheid aardgas, uitgedrukt in MWh, verbruikt door de thermische referentie-installatie om een hoeveelheid warmte gelijk aan Q te produceren ;

= QuantitŽ dՎnergie primaire, exprimŽe en MWh, consommŽe par lÕinstallation pour produire une quantitŽ dՎlectricitŽ Žgale ˆ E et, sÕil Žchoit, une quantitŽ de chaleur Žgale ˆ Q et une quantitŽ de froid Žgale ˆ F.

*= Hoeveelheid primaire energie, uitgedrukt in MWh, verbruikt door een installatie om een hoeveelheid elektriciteit gelijk aan E en, in voorkomend geval, een hoeveelheid warmte gelijk aan Q en een hoeveelheid koude gelijk aan F, te produceren.

= Coefficient dՎmission de  CO2 du gaz naturel ;

= CO2-emissie-co‘ffici‘nt van aardgas ;

= Coefficient dՎmission de CO2  de lÕinstallation ;

= CO2-emissie-co‘ffici‘nt van de installatie;

= Rendement de lÕinstallation de rŽfŽrence Žlectrique ;

= Rendement van de elektrische referentie-installatie ;

= Rendement de lÕinstallation de rŽfŽrence thermique ;

= Rendement van de thermische referentie-installatie ;

= Coefficient de performance de lÕinstallation de rŽfŽrence frigorifique ;

= Prestatie-co‘ffici‘nt van de frigo-referentie-installatie ;

ANNEXE II

BIJLAGE II

Valeur des coefficients dՎmission de CO2  pour les combustibles fossiles

Waarde van CO2 emissie-co‘ffici‘nten  voor fossiele brandstoffen

Combustibles fossiles

Coefficient dՎmission de CO2 exprimŽ en kg dՎquivalent de CO2 par MWh primaire (sur PCI)

Gaz naturel

  = 217

Mazout / diesel

306

Charbon

385

Fossiele brandstof

CO2 emissie-co‘ffici‘nt uitgedrukt in kg CO2 -equivalent per primaire MWh (op COW)

Aardgas

  = 217

Stookolie/diesel

306

Steenkool

385

Rendement ŽnergŽtique des installations de rŽfŽrence

Energie-rendement van de referentie-installaties

Production Žlectrique

Rendement = 55%

Production de chaleur 

Rendement  = 90%

Production de froid ˆ une tempŽrature infŽrieure ˆ zŽro

Coefficient de performance

COP = 2

Production de froid ˆ une tempŽrature supŽrieure ˆ zŽro

Coefficient de performance

COP = 4

Elektriciteitsproductie 

Rendement = 55%

Warmteproductie

Rendement  = 90%

Koudeproductie voor een  temperatuur lager dan nul graden

Prestatie co‘ffici‘nt

COP = 2

Koudeproductie voor een temperatuur hoger dan nul graden

Prestatie co‘ffici‘nt

COP = 4

terug naar inhoudstabel